GRI brengt de lacune in openbaarmaking over luchtverontreiniging in kaart

Luchtverontreiniging wordt veelvuldig genoemd in bedrijfsrapportages, maar veel minder vaak gemeten op een manier die consistente openbaarmaking ondersteunt. De nieuwste analyse van GRI brengt deze lacune in beeld en laat zien waar rapportagepraktijken per sector en per verontreinigende stof nog uiteenlopen.
Global Reporting Initiative (GRI) heeft een nieuwe analyse gepubliceerd over hoe grote beursgenoteerde ondernemingen rapporteren over luchtverontreinigende stoffen. Het document koppelt de huidige praktijk aan de lopende actualisering van de GRI themastandaard voor luchtverontreiniging en aan het bredere proces van normontwikkeling rond informatieverschaffing over vervuiling.
De centrale kloof ligt tussen erkenning in narratieve vorm en gekwantificeerde informatieverschaffing.
Wat GRI geanalyseerd
Het rapport, De kloof in de rapportage over luchtverontreiniging: bewijs van 1,000 organisaties in emissie-intensieve sectoren, beoordeelt 2023-2024 duurzaamheids- en jaarverslagen van 1,000 beursgenoteerde bedrijven in 8 emissie-intensieve sectoren. Het gaat om landbouw, farmaceutica, transport, bouw, metaalverwerking, bouwmaterialen, chemie en mijnbouw.
In het onderzoek wordt een “vermelding” onderscheiden van een “openbaarmaking”. Een vermelding is een narratieve verwijzing naar een verontreinigende stof zonder kwantitatieve gegevens. Een openbaarmaking betreft een met name genoemde verontreinigende stof, vergezeld van een emissiewaarde of vergelijkbare metriek. Dat onderscheid staat centraal in de bevindingen. In de methodologie werden ook GRI inhoudsindexen uitgesloten, omdat deze kunnen wijzen op aansluiting bij een raamwerk zonder dat zij aantonen dat in het hoofdgedeelte van het verslag inhoudelijke informatie wordt verstrekt.
Status en relevantie
Deze publicatie betreft onderzoek en analyse, en is geen verplichte rapportagevereiste of handhavingsmaatregel. In het onderzoek dient GRI 305: Emissies 2016 informatieverschaffing 305-7 (GRI 305-7) als bestaand referentiepunt voor het beoordelen van de huidige praktijk. Het document koppelt de bevindingen aan de lopende actualisering van de GRI Topic Standard for Air Pollution, maar beschrijft geen nieuwe informatieverschaffingsvereiste die is aangenomen of van kracht is.
Voor duurzaamheidsrapportage suggereren de bevindingen dat het probleem niet een gebrek aan rapportage als zodanig is, maar een gebrek aan gekwantificeerde informatieverschaffing per verontreinigende stof in verder volwassen rapportageomgevingen.
Wat de bevindingen laten zien
Het hoofdpatroon is duidelijk: vermeldingen overtreffen de informatieverschaffingen consequent. Met andere woorden, bedrijven verwijzen vaker naar verontreinigende stoffen dan dat zij er gekwantificeerde waarden voor rapporteren. Stikstofoxiden (NOx) en zwaveloxiden (SOx) domineren de rapportage in de steekproef, terwijl fijnstof minder vaak voorkomt en andere verontreinigende stoffen veel minder zichtbaar zijn. Gevaarlijke luchtverontreinigende stoffen (HAPs) en persistente organische verontreinigende stoffen (POPs) blijven bijzonder zeldzaam: slechts een zeer klein aandeel van de organisaties vermeldt of kwantificeert deze stoffen.
De context is belangrijk. De meeste ondernemingen in de steekproef publiceerden een duurzaamheids- of jaarverslag, 57% gebruikten GRI, en van de GRI-gebruikers gebruikten slechts 43% GRI 305-7. Het probleem is dus niet het ontbreken van rapportage, maar het beperktere gebruik van gekwantificeerde rapportage per verontreinigende stof.
Deze kloof kan wijzen op een vroeg ontwikkelingsstadium van de praktijk, waarin een verontreinigende stof als relevant wordt erkend voordat meet- en rapportageprocessen consequent zijn ingevoerd.
De relatie met GRI is positief, maar niet volledig. Ondernemingen die GRI niet gebruikten, rapporteerden gemiddeld 0.46 verontreinigende stoffen; ondernemingen die naar GRI verwezen zonder formeel gebruik ervan, rapporteerden 1.14; en ondernemingen die GRI formeel gebruikten, rapporteerden 1.61. Tegelijkertijd is het verwijzen naar GRI 305-7 op zichzelf geen betrouwbare maatstaf voor de kwaliteit van de rapportage.
Sectorale verschillen
Het sectorbeeld is eveneens ongelijk. Landbouw, farmaceutische industrie, transport, bouw en metaalverwerking laten over het algemeen lagere niveaus van rapportage per verontreinigende stof zien, terwijl bouwmaterialen, chemie en mijnbouw relatief hogere en consistentere rapportage laten zien. In de transportsector vermeldt bijvoorbeeld ongeveer de helft van de organisaties NOx, maar minder dan 30% verstrekt gekwantificeerde rapportage. Bij bouwmaterialen is de kloof tussen vermelding en rapportage het kleinst van de acht sectoren.
Chemicals onderscheidt zich op een andere manier. Deze sector laat het hoogste gebruik zien van GRI 305-7 en is een van slechts twee sectoren waarin überhaupt over HAP en POP wordt gerapporteerd. Toch loopt een beschrijving in woorden nog steeds vaak vooruit op gekwantificeerde informatieverschaffing.
Die sectorale variatie is van belang omdat de bron er niet van uitgaat dat elke verontreinigende stof in elk geval materieel is. Er wordt gesteld dat de analyse geen beoordelingen van materialiteit op ondernemingsniveau of de specifieke redenen voor omissies in individuele rapportagecontexten heeft geëvalueerd.
Praktische implicaties voor rapportage
De praktische vraag is niet of luchtverontreiniging wordt genoemd, maar of het rapport meetbare informatie bevat die verificatie, vergelijking of trendanalyse ondersteunt. Veel informatieverschaffing berust nog steeds op algemene verklaringen over emissiebeheer, terwijl gekwantificeerde gegevens over verontreinigende stoffen minder vaak voorkomen. Een beschrijving zonder kwantificering kan neerkomen op een vorm van symbolische transparantie.
De implicaties strekken zich uit tot governance, gegevens en de opzet van de informatieverschaffing. Wanneer luchtverontreiniging voorkomt in de duurzaamheidsstrategie of in beschrijvende informatieverschaffing, hebben organisaties duidelijkheid nodig over de vraag of monitoring per verontreinigende stof plaatsvindt en wie verantwoordelijk is voor het onderliggende rapportageproces.
Hetzelfde geldt voor gegevens, methoden en beheersmaatregelen. De kloof betreft niet simpelweg de formulering, maar de vraag of meetsystemen, methodologieën, emissiefactoren en gegevenssporen robuust genoeg zijn om gekwantificeerde openbaarmaking in het verslag zelf te ondersteunen. Waar naar methodologieën wordt verwezen, worden deze vaak wel genoemd maar niet toegelicht, waardoor in de hoofdtekst van het verslag slechts beperkt inzicht wordt geboden in de berekeningsmethoden.
Ook het ontwerp van de openbaarmaking is van belang. Emissiegegevens staan vaak in portalen, op websites of in afzonderlijke rapportages, terwijl methodologische verwijzingen dikwijls extern zijn en slechts kort worden aangehaald. Dit leidt tot versnippering van informatie en roept de redactionele vraag op of gegevens over verontreinigende stoffen, methodologische verwijzingen en narratieve beweringen in het rapportagepakket op samenhangende wijze worden samengebracht.
Ook de volgorde waarin zaken worden aangepakt speelt een rol. Sommige ondernemingen breiden het volgen van verontreinigende stoffen in de loop van de tijd uit. Dit betekent dat organisaties duidelijkheid nodig hebben over wat nu kan worden onderbouwd, wat nog afhankelijk is van de verdere ontwikkeling van systemen en hoe die veranderingen in opeenvolgende rapportagecycli worden toegelicht.
Waar u hierna op moet letten
De evenwichtige conclusie is dat de rapportage over luchtverontreiniging zich ontwikkelt, maar nog niet op consistente wijze is geïnstitutionaliseerd. Bedrijven geven vaak blijk van bewustzijn van de gevolgen van verontreinigende stoffen voordat zij een stabiel patroon van gekwantificeerde openbaarmaking tot stand brengen.
Het belangrijkste punt om op te letten is de volgende normstellingsstap van GRI. De analyse maakt deel uit van de lopende actualisering van de GRI-onderwerpnorm voor luchtverontreiniging en het bredere normstellingsproces, met inbegrip van ontwerpstandaarden, perioden voor openbare raadpleging en betrokkenheid van belanghebbenden. Tot die tijd is de praktische vraag of de huidige informatieverschaffing kan evolueren van algemene emissieterminologie naar specifiek bewijs over verontreinigende stoffen.
Er blijft onzekerheid bestaan. De analyse bepaalt niet of hiaten in individuele gevallen het gevolg zijn van beperkte relevantie, meetbeperkingen of verschillen in de volwassenheid van de rapportage. De praktische focus blijft daarom liggen op de manier waarop gegevens over verontreinigende stoffen worden gemeten, toegelicht en in de rapportage worden geïntegreerd.