EU-duurzaamheidsregelgeving in 2026: Huidige stand en wat ons te wachten staat
In 2026 bewegen de EU-duurzaamheidsregels zich van beleidsontwikkeling naar een complexere combinatie van uitvoering, herziening en nieuwe wetgevingsvoorstellen. Voor bedrijven resulteert dit in een regelgevingsagenda die zich steeds verder uitstrekt dan alleen openbaarmaking en ook betrekking heeft op producten, handel, toeleveringsketens, investeringen en operationele gegevens.

EU-duurzaamheidsregelgeving heeft zich in 2026 in verschillende richtingen ontwikkeld. Rapportageverplichtingen worden voor sommige ondernemingen verminderd, terwijl product-, handels- en toeleveringsketenregels in de toepassingsfase komen. Voor ondernemingen bestaat de onmiddellijke opgave erin onderscheid te maken tussen vereisten die al van toepassing zijn en wijzigingen die nog afhankelijk zijn van nationale omzetting, toetsing door de EU of wetgevingsonderhandelingen.
De relevante juridische mijlpalen hebben ook verschillende gevolgen. Wetgevingsgoedkeuring, inwerkingtreding, een omzettingstermijn en een toepassingsdatum zijn niet onderling uitwisselbaar, en afzonderlijke bepalingen van dezelfde verordening kunnen op verschillende tijdstippen van toepassing worden. De onderstaande chronologie maakt onderscheid tussen deze mijlpalen voordat wordt ingegaan op de inhoud van de regels en de gevolgen ervan voor ondernemingen.

Tabel 1. Belangrijke EU-regelgevingsmijlpalen op het gebied van duurzaamheid in 2026
De onderstaande ontwikkelingen hebben de meest directe gevolgen voor duurzaamheidsrapportage, bedrijfsgegevens, productvereisten, toeleveringsketens en complianceprocessen. De nadruk ligt op wat er in de praktijk verandert voor ondernemingen.
Rapportage en duurzame financiering
Verschillende 2026 wijzigingen hebben rechtstreeks gevolgen voor duurzaamheidsrapportage en het gebruik van ESG-informatie op financiële markten. Ze wijzigen de rapportagescope, de openbaarmakingsvereisten en de manier waarop duurzaamheidsinformatie wordt gebruikt in financiële producten en ESG-ratings.

Omnibus I: CSRD en CSDDD
Reikwijdte en vereisten. De gewijzigde Richtlijn duurzaamheidsrapportage door ondernemingen (CSRD) beperkt verplichte duurzaamheidsrapportage tot ondernemingen die zowel meer dan 1,000 werknemers als €450 miljoen aan netto-omzet hebben. De wijzigingen voeren ook een beperking voor de waardeketen in, schrappen de verplichting om sectorspecifieke ESRS vast te stellen, verschuiven de deadline voor EU-normen voor beperkte assurance naar 1 juli 2027 en schrappen de geplande EU-normen voor redelijke assurance. De Richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid (CSDDD)-drempel wordt verhoogd tot meer dan 5,000 werknemers en €1.5 miljard aan netto-omzet, terwijl de verplichting tot een klimaattransitieplan wordt geschrapt.
Gevolgen voor ondernemingen. Het aantal ondernemingen dat aan verplichte CSRD- en CSDDD-vereisten moet voldoen, neemt aanzienlijk af. Ondernemingen die dicht bij de eerdere drempelwaarden zitten, kunnen buiten de directe scope vallen, terwijl CSRD-rapporteurs te maken krijgen met strengere beperkingen op de duurzaamheidsinformatie die zij kunnen opvragen bij beschermde ondernemingen in hun waardeketens. Het schrappen van verplichte sectorspecifieke ESRS verandert ook de manier waarop sectorspecifieke rapportagedetails zich zullen ontwikkelen, waarbij richtsnoeren naar verwachting een grotere rol zullen spelen dan verplichte sectorspecifieke normen.
Herziene ESRS en EU-taxonomie
Gepubliceerde wijzigingen. Herziene European Sustainability Reporting Standards (ESRS), vastgesteld door de Commissie op 3 juli, verminderen de verplichte datapunten met meer dan 60% en het totale aantal datapunten met meer dan 70%. De gedelegeerde handelingen worden nog getoetst en zijn nog niet van kracht. EU-taxonomie-vereenvoudigingsmaatregelen zijn van toepassing vanaf 1 januari 2026 tot FY2025, hoewel ondernemingen ervoor kunnen kiezen deze vanaf FY2026 toe te passen.
Gevolgen voor de rapportage. Als de herziene ESRS de toetsingsperiode voltooien en in werking treden, zal het aantal verplichte toelichtingen aanzienlijk afnemen. Tot die tijd moeten ondernemingen onderscheid maken tussen de tekst van juli 2026 en de momenteel geldende ESRS. Voor rapportage over de taxonomie betekent de mogelijkheid om de vereenvoudigde aanpak uit te stellen tot FY2026 dat ondernemingen een duidelijke en gedocumenteerde basis nodig hebben voor de templates en berekeningen die zij in de huidige rapportagecyclus gebruiken.
Verordening inzake ESG-ratings
Toepassingsgebied en vereisten. Regulation (EU) 2024/3005 is van toepassing vanaf 2 juli en brengt aanbieders van ESG-ratings die in de EU actief zijn onder rechtstreeks toezicht van ESMA. Afhankelijk van de aanbieder zijn verschillende routes voor vergunningverlening, erkenning en registratie van toepassing.
Gevolgen voor ondernemingen. De verordening formaliseert de wijze waarop activiteiten op het gebied van ESG-ratings onder toezicht worden gehouden en brengt meer structuur aan in de informatie die bij ratings wordt gebruikt. Voor gerate ondernemingen is het proces van feitelijke toetsing een praktisch gevolg: ESMA heeft verduidelijkt dat aanbieders een uitgevende instelling of het gerate object op verzoek toegang moeten geven tot de relevante dataset. Dit biedt ondernemingen een duidelijkere mogelijkheid om feitelijke fouten te identificeren in de gegevens die aan een rating ten grondslag liggen.
Herziening van de SFDR
Voorgestelde wijzigingen. Het standpunt van de Raad van juni zou drie categorieën financiële producten introduceren: duurzame producten, transitieproducten en ESG-basisproducten. Het voorstel is bedoeld ter vervanging van de huidige situatie waarin classificaties op grond van de Sustainable Finance Disclosure Regulation (SFDR) vaak hebben gefunctioneerd als een informeel systeem voor productetikettering.
Te monitoren punten. De voorgestelde categorieën kunnen wezenlijk veranderen hoe duurzaamheidsgerelateerde fondsen en andere financiële producten worden geclassificeerd en aan beleggers worden gecommuniceerd. Ze maken nog steeds deel uit van het onderhandelingsstandpunt van de Raad. Financiëlemarktdeelnemers moeten ze daarom niet beschouwen als het definitieve SFDR-kader totdat het wetgevingsproces is afgerond.
Handel, producten en toeleveringsketens
Een tweede groep van 2026 maatregelen verplaatst duurzaamheidsvereisten naar handels-, productontwerp- en toeleveringsketenprocessen. Deze vereisten hebben betrekking op de gegevens die bedrijven nodig hebben over invoer, materialen, verpakkingen, de oorsprong van producten, afvalstromen en consumentgerichte informatie.

CBAM
Toepassingsgebied en vereisten. Importeurs die de jaarlijkse drempel van 50 ton voor cement, ijzer en staal, aluminium en meststoffen overschrijden, evenals importeurs van elektriciteit en waterstof, vallen onder de definitieve autorisatievereisten van het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM). Importeurs die onder de regeling vallen, moeten rekening houden met ingebedde emissies. De eerste aangifte voor 2026 invoer moet uiterlijk op 30 september 2027 worden ingediend. Importeurs kunnen gebruikmaken van standaardwaarden van de Commissie of van gegevens over werkelijke emissies; voor werkelijke gegevens is verificatie vereist.
Gevolgen voor bedrijven. CBAM brengt koolstofgegevens op productniveau rechtstreeks binnen het douane- en importcomplianceproces. Bedrijven die waarden voor werkelijke emissies gebruiken, zijn afhankelijk van geverifieerde informatie van producenten buiten de EU. Emissiegegevens worden daardoor onderdeel van leveranciersrelaties, in plaats van informatie die uitsluitend voor duurzaamheidsrapportage wordt verzameld. Verplichtingen inzake CBAM-certificaten maken de koolstofintensiteit van onder de regeling vallende invoer bovendien tot een directe kostenfactor.
WSR
Toepassingsgebied en vereisten. De meeste herziene bepalingen van de Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (WSR) zijn vanaf 21 mei van toepassing geworden, samen met het Digital Waste Shipment System (DIWASS). Procedures voor voorafgaande kennisgeving en toestemming worden nu digitaal verwerkt. Voor de uitvoer van kunststofafval naar derde landen is voorafgaande kennisgeving en toestemming vereist, en de uitvoer naar niet-OESO-landen wordt vanaf 21 november verboden. Afvalstoffen die op de groene lijst staan, kunnen tot en met 31 december 2026 gebruik blijven maken van de eerdere papieren procedure.
Implicaties voor bedrijven. Afvalstromen worden een beter traceerbaar en datagedreven nalevingsproces. Bedrijven die gebruikmaken van grensoverschrijdende afvalroutes moeten bij het plannen van verwijderings- of terugwinningsregelingen rekening houden met het land van bestemming, de afvalclassificatie en de relevante digitale documentatie. Het verbod op kunststofafval uit niet-OESO-landen kan ook wijzigingen in bestaande verwerkings- en recyclingroutes vereisen.
ESPR en DPP
Reikwijdte en vereisten. De Verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten (ESPR) stelt een kader vast voor productspecifieke vereisten inzake ecologisch ontwerp op gebieden zoals duurzaamheid, repareerbaarheid, hulpbronnen- en energie-efficiëntie, gerecycled materiaal en ecologische voetafdruk. De verordening introduceert ook het Digitale Productpaspoort (DPP) als gestructureerde bron van productinformatie. Vanaf 19 juli 2026 mogen grote bedrijven bepaalde onverkochte kleding, kledingaccessoires en schoeisel niet vernietigen, behoudens vastgestelde uitzonderingen. De DPP-vereisten zullen geleidelijk van toepassing worden via productspecifieke gedelegeerde handelingen.
Implicaties voor bedrijven. ESPR verlegt duurzaamheidsvereisten verder naar productontwerp en productgegevens. Voor de betrokken productgroepen zal naleving in toenemende mate afhangen van de beschikbaarheid van informatie op model-, partij- of itemniveau en in een gestructureerd, interoperabel formaat. Het DPP-register werd op 20 juli 2026 operationeel en biedt de infrastructuur voor het registreren van unieke productidentificatoren en bijbehorende metadata.
PPWR
Toepassingsgebied en vereisten. De Verordening inzake verpakkingen en verpakkingsafval (PPWR) heeft betrekking op alle verpakkingen en verpakkingsafval, ongeacht het materiaal of de oorsprong. De verordening stelt vereisten vast voor de vervaardiging en samenstelling van verpakkingen en voor de herbruikbare of terugwinbare eigenschappen ervan, alsook maatregelen ter voorkoming en het beheer van verpakkingsafval. De verordening is van toepassing vanaf 12 augustus 2026, hoewel voor veel afzonderlijke verplichtingen latere toepassingsdata gelden.
Gevolgen voor bedrijven. De gevolgen strekken zich uit tot het ontwerp van verpakkingen, de materiaalkeuze, leveranciersspecificaties en productgegevens. De datum van 12 augustus betekent niet dat alle verplichtingen uit de PPWR tegelijk van toepassing worden. Bedrijven moeten het tijdschema volgen voor de bepalingen die relevant zijn voor hun verpakkingen en producten, met inbegrip van latere vereisten inzake recycleerbaarheid, hergebruik, gerecycled materiaal en geharmoniseerde etikettering.
Consumenten sterker maken voor de groene transitie
Toepassingsgebied en vereisten. De richtlijn wijzigt de EU-regels inzake consumentenrecht met betrekking tot milieuclaims, duurzaamheidslabels en informatie over duurzaamheid en repareerbaarheid. De lidstaten moesten deze uiterlijk in 27 maart omzetten, waarbij de nationale regels vanaf 27 september van toepassing zijn.
Gevolgen voor bedrijven. Duurzaamheidsinformatie die aan consumenten wordt verstrekt, brengt nu een duidelijker compliancerisico met zich mee. Milieuclaims en duurzaamheidslabels die op verpakkingen, websites en verkoopmateriaal worden gebruikt, moeten worden getoetst aan de nieuwe regels. Voor oude voorraden die vóór de toepassingsdatum zijn geproduceerd of gedistribueerd, kunnen autoriteiten een evenredige aanpak hanteren wanneer er daadwerkelijk sprake is van overgangsproblemen, maar van bedrijven wordt nog steeds verwacht dat zij tijdig maatregelen nemen om aan de regels te voldoen.
EUDR
Toepassingsgebied en vereisten. De EU Deforestation Regulation (EUDR) heeft betrekking op runderen, cacao, koffie, palmolie, rubber, soja en hout, evenals op gespecificeerde afgeleide producten. Marktdeelnemers moeten aantonen dat de onder de verordening vallende producten ontbossingsvrij zijn en zijn geproduceerd in overeenstemming met de relevante wetgeving in het land van productie. De Commissie heeft het productbereik in juli herzien en technische regels voor het EUDR Information System vastgesteld. Producten die in juli zijn toegevoegd, vallen pas vanaf 30 december 2027 onder de verordening.
Gevolgen voor ondernemingen. De oorsprong van producten wordt een gegeven voor regelgevingsdoeleinden. Ondernemingen moeten leveranciersinformatie en productgegevens koppelen aan zorgvuldigheidsverklaringen in het EUDR Information System. Inkoop- en leveranciersmanagementteams worden daardoor onderdeel van de beheersingsomgeving voor EUDR-naleving. Ondernemingen moeten bijlage I ook opnieuw controleren naar aanleiding van de wijzigingen in juli en hun beoordeling van het productbereik dienovereenkomstig bijwerken.
Verordening inzake circulariteit van voertuigen
Toepassingsgebied en vereisten. Verordening (EU) 2026/1738 introduceert vereisten voor het ontwerp van voertuigen, herbruikbaarheid, recycleerbaarheid, het gehalte aan gerecycled materiaal, informatie over onderdelen en materialen, uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en het beheer van afgedankte voertuigen. De verordening is op 13 augustus 2026 in werking getreden. De algemene toepassing begint op 1 september 2028, terwijl sommige bepalingen eerder van toepassing worden.
Gevolgen voor ondernemingen. Automobielbedrijven zullen vereisten inzake circulariteit moeten integreren in productontwerp, informatie over materialen en processen aan het einde van de levensduur. De Verordening illustreert ook waarom wettelijke data per bepaling moeten worden bijgehouden: publicatie in 2026 betekent niet dat de volledige operationele regeling onmiddellijk van toepassing is.
Klimaat- en industriebeleid
De agenda voor klimaat- en industriebeleid van de 2026 combineert een nieuwe emissiedoelstelling van 2040 met maatregelen die gevolgen hebben voor koolstofbeprijzing, industriële decarbonisatie, circulariteit en klimaatbestendigheid.

Europese klimaatwet
Toepassingsgebied en vereisten. Verordening (EU) 2026/667 stelt een bindende EU-doelstelling vast om de netto-uitstoot van broeikasgassen met 90% tegen 2040 te verminderen ten opzichte van 1990.
Gevolgen voor bedrijven. De 2040-doelstelling geeft richting aan de volgende fase van de EU-klimaatwetgeving, met gevolgen voor toekomstige maatregelen op het gebied van koolstofbeprijzing, energie- en industriebeleid.
herziening van het EU ETS
Voorgestelde wijzigingen. Het voorstel van de Commissie van juli zou de kosteloze toewijzing en de wisselwerking ervan met CBAM herzien, het emissiehandelssysteem (ETS) voor de luchtvaart en de maritieme sector versterken en de emissiehandel geleidelijk uitbreiden tot de verbranding van stedelijk afval.
Punten om te monitoren. Wijzigingen in de gratis toewijzing en de interactie met CBAM kunnen van invloed zijn op toekomstige koolstofkosten voor onder het ETS vallende industrieën. Bedrijven moeten daarom onderscheid maken tussen aannames die zijn gebaseerd op het voorstel van juli en kosten die voortvloeien uit de reeds van kracht zijnde ETS-regels.
IAA
Voorgestelde wijzigingen. De Industrial Accelerator Act (IAA) zou vereisten inzake een koolstofarme productie en Europese oorsprong invoeren voor delen van overheidsopdrachten en overheidsondersteuningsregelingen. Het voorstel gaat ook in op vergunningverlening en duurzame productie.
Te monitoren punten. Als het voorstel wordt aangenomen, kunnen de koolstofprestaties en herkomst van producten van invloed zijn op de toegang tot bepaalde overheidsopdrachten en ondersteuningsprogramma's. Bedrijven die de onder het voorstel vallende sectoren beleveren, moeten daarom volgen hoe deze criteria tijdens de onderhandelingen worden gedefinieerd.
Omnibus VIII
Voorgestelde wijzigingen. Omnibus VIII zou de regels en procedures inzake industriële emissies, vereisten op het gebied van de circulaire economie en georuimtelijke gegevens vereenvoudigen. De Raad heeft in juni zijn standpunt over belangrijke onderdelen van het pakket vastgesteld.
Te monitoren punten. Voor bedrijven is vooral van belang welke administratieve procedures, rapportagevereisten en vergunningsstappen uiteindelijk worden gewijzigd. De huidige milie verplichtingen blijven van toepassing terwijl het vereenvoudigingspakket het wetgevingsproces doorloopt.
Omnibus XII
Voorgestelde wijzigingen. Omnibus XII zou de energie- en bandenetiketteringsregels voor leveranciers en detailhandelaren vereenvoudigen en het gebruik van digitale opties uitbreiden.
Punten om te monitoren. Het voorstel kan veranderen hoe productinformatie wordt verstrekt en bijgehouden, met name waar digitale informatie bestaande etiketteringsprocessen vervangt of aanvult. Deze wijzigingen zijn nog slechts voorgesteld en mogen nog niet als definitieve vereisten in compliance-systemen worden opgenomen.
CEA
Huidige richting. Het werk van de Europese Commissie aan de Circular Economy Act (CEA) is gericht op markten voor secundaire grondstoffen, toegang tot circulaire grondstoffen en het verminderen van de afhankelijkheid van geïmporteerde kritieke grondstoffen. Het voorstel staat gepland voor Q3 2026.
Aandachtspunten. Bedrijven die gerecyclede inputs gebruiken, moeten bijzondere aandacht besteden aan maatregelen die van invloed zijn op sourcing, markttoegang en de voorwaarden voor het gebruik van secundaire materialen. Totdat het voorstel is gepubliceerd, creëren deze beleidsrichtingen geen nieuwe verplichtingen voor bedrijven.
Geïntegreerd Europees kader voor klimaatveerkracht en risicobeheer
Huidige koers. De Commissie is van plan het kader in de tweede helft van 2026 vast te stellen. De voorbereidende werkzaamheden omvatten geharmoniseerde klimaatrisicobeoordelingen, veerkracht in beleid en investeringen, op de natuur gebaseerde oplossingen en langetermijnfinanciering voor adaptatie.
Aandachtspunten. Het definitieve pakket kan van invloed zijn op de manier waarop klimaatrisico wordt meegenomen in investerings- en paraatheidsbesluiten. Er mag niet van worden uitgegaan dat er nieuwe specifieke verplichtingen voor bedrijven gelden totdat het pakket is vastgesteld.
Herziening van de Governance Regulation
Huidige richting. Er wordt een Q4 voorstel voorbereid tot herziening van de Governanceverordening inzake de Energie-unie en klimaatactie. De werkzaamheden van de Commissie omvatten de beleidsarchitectuur voor de periode na-2030, prestatie-indicatoren en een sterkere investeringsrol voor nationale energie- en klimaatplannen.
Aandachtspunten. De directe verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de governance van klimaat en energie op EU- en lidstaatniveau. Voor ondernemingen zal de indirecte relevantie voortvloeien uit nationaal sectoraal beleid, investeringsprioriteiten en uitvoeringsmaatregelen die in het herziene kader worden ontwikkeld.
Duurzaamheidsgegevens in de hele bedrijfsvoering en compliance
De hierboven besproken ontwikkelingen op het gebied van 2026 laten zien dat duurzaamheidsregelgeving steeds verder doordringt in operationele bedrijfsprocessen. CBAM koppelt emissiegegevens aan import. EUDR verbindt informatie over productherkomst en toeleveringsketens met gepaste zorgvuldigheid. PPWR brengt de samenstelling van verpakkingen en productinformatie binnen het toepassingsgebied van compliance, terwijl ESPR en DPP steeds meer gestructureerde gegevens op productniveau vereisen.
Duurzaamheidsgegevens worden daarom steeds vaker gebruikt voor meer dan alleen openbaarmaking. Dezelfde informatie kan nu ook dienen ter ondersteuning van douanezaken, productconformiteit, inkoop, leverancierscontroles en rapportage aan toezichthouders. Voor bedrijven is de uitdaging om ervoor te zorgen dat deze gegevens herleidbaar blijven tot hun bron, met bewijs worden onderbouwd en consistent zijn in alle systemen en functies.
In 2026 hangt naleving op het gebied van duurzaamheid steeds meer af van de kwaliteit, het eigenaarschap en de traceerbaarheid van operationele gegevens binnen de hele onderneming.