EFRAG stelt ESRS-40a voor voor bepaalde groepen buiten de EU
EFRAG heeft een raadpleging geopend over het ontwerp van ESRS-40a, de voorgestelde duurzaamheidsrapportagestandaarden voor bepaalde groepen buiten de EU met een aanzienlijke omzet in de EU. Het ontwerp richt zich op impacts, vereist rapportage op groepsniveau en staat toe dat niet-klimaatgerelateerde informatie wordt beperkt tot EU-gerelateerde impacts.

Artikel 40a van de Accounting Directive vereist dat bepaalde EU-dochterondernemingen en -vestigingen van groepen van buiten de EU een duurzaamheidsrapport over de materiële impacts van hun uiteindelijke moederonderneming of groep uit een derde land op mensen en het milieu publiceren en toegankelijk maken. EFRAG heeft het ESRS-40a Exposure Draft gepubliceerd, waarin wordt gespecificeerd waarop die rapporten betrekking zouden hebben en hoe ze zouden worden opgesteld.
Een ontwerpnorm krachtens artikel 40a
Op 23 juli 2026, startte EFRAG een 100-daagse openbare raadpleging die openstaat voor belanghebbenden binnen en buiten de EU. Reacties moeten uiterlijk op 31 oktober 2026 worden ingediend. EFRAG verwacht zijn definitieve technisch advies in januari 2027 in te dienen, waarna de Europese Commissie haar eigen openbare raadpleging zal houden alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen.
De standaarden die nu worden aangeduid als ESRS-40a werden voorheen aangeduid als Non-EU ESRS (N-ESRS) en ESRS voor derde landen (ESRS-TC). EFRAG is ook van plan om medio augustus mid-August 2026 een kosten-batenanalyse te publiceren ter ondersteuning van feedback over de verwachte kosten en baten van de voorstellen.
De eerste rapportages in het kader van de toekomstige ESRS-40a zullen naar verwachting betrekking hebben op het 2028 boekjaar en worden gepubliceerd in 2029.
Reikwijdte en rapportageniveau
Een EU-dochteronderneming of -filiaal zou een duurzaamheidsrapport op ESRS-40a-niveau publiceren wanneer de netto-omzet ervan in het voorafgaande boekjaar hoger is dan EUR 200 miljoen, de uiteindelijke moederonderneming onder het recht van een derde land valt en de moederonderneming of groep in elk van de twee voorgaande boekjaren een netto-omzet van meer dan EUR 450 miljoen in de EU heeft gegenereerd.
De publicatieplicht ligt bij de EU-dochteronderneming of het EU-filiaal, maar het rapport wordt opgesteld op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming of groep uit het derde land. Een afzonderlijk ESRS-40a-rapport is niet vereist wanneer de uiteindelijke moederonderneming rapporteert op grond van de volledige ESRS of op een wijze die de Europese Commissie formeel gelijkwaardig aan ESRS heeft verklaard, mits aan de toepasselijke vereisten inzake assurance en toegankelijkheid wordt voldaan.
Impactmaterialiteit bepaalt de inhoud
Als geheel is het rapport bedoeld om een getrouw beeld te geven van de materiële duurzaamheidsgerelateerde impacts van de moederonderneming of groep en van de wijze waarop deze worden beheerd, en om gebruikers besluitvormingsrelevante informatie te verstrekken. Voor materiële onderwerpen omvatten de toelichtingen governance, strategie, het management van impacts door middel van beleid en acties, alsmede maatstaven en doelstellingen.
De beoordeling heeft betrekking op daadwerkelijke en potentiële, positieve en negatieve impacts die verband houden met de eigen activiteiten van de onderneming en haar stroomopwaartse en stroomafwaartse waardeketen, onder meer via haar producten, diensten en zakelijke relaties. Deze zakelijke relaties zijn niet beperkt tot directe contractuele relaties.
De onderneming kan de materialiteit van impacts beoordelen aan de hand van een top-downbenadering, een bottom-upbenadering of een combinatie van beide. Een top-downbeoordeling begint bij de strategie, het bedrijfsmodel, de sectoren, geografische gebieden en waardeketen van de onderneming, terwijl een bottom-upbeoordeling begint op het niveau van individuele impacts. De twee benaderingen kunnen voor verschillende onderwerpen worden gecombineerd.
Daadwerkelijke negatieve impacts worden beoordeeld op basis van ernst, rekening houdend met schaal, reikwijdte en het onherstelbare karakter. Potentiële negatieve impacts worden beoordeeld op basis van ernst en waarschijnlijkheid; voor potentiële impacts op de mensenrechten heeft ernst voorrang. Daadwerkelijke positieve impacts worden beoordeeld op basis van schaal en reikwijdte, terwijl potentiële positieve impacts worden beoordeeld op basis van schaal, reikwijdte en waarschijnlijkheid. Positieve impacts mogen niet worden gesaldeerd met negatieve impacts.
De resultaten van de betrokkenheid van getroffen belanghebbenden die in het kader van zorgvuldigheidsonderzoek heeft plaatsgevonden, vormen een belangrijke input voor de beoordeling.
Informatieverschaffingsvereisten en datapunten zijn onderworpen aan informatiematerialiteit, waarbij entiteitsspecifieke toelichtingen vereist zijn wanneer de standaarden niet voldoende granulariteit bieden.
ESRS-40a vergeleken met de volledige ESRS
ESRS-40a behoudt dezelfde algemene structuur als de volledige ESRS, bestaande uit twee transversale en tien thematische standaarden. De volledige ESRS en ESRS-40a verschillen echter wat betreft hun materialiteitsbenadering, rapportagestructuur en rapportagegrens.
De volledige ESRS passen dubbele materialiteit toe en vereisen rapportage over materiële impacts, risico's en kansen. ESRS-40a past uitsluitend impactmaterialiteit toe. Vereisten die uitsluitend verband houden met financiële materialiteit, waaronder verwachte financiële effecten en veerkrachtanalyse, zijn daarom niet opgenomen.
Hoewel ESRS-40a geen toelichtingen over de financiële effecten van duurzaamheidskwesties vereist, vereist het nog steeds informatie over de middelen die zijn toegewezen aan het beheer van materiële impacts. Dit omvat aanzienlijke huidige en geplande operationele en kapitaaluitgaven voor kernmaatregelen en het klimaattransitieplan.
ESRS-40a is daarom beperkter dan de volledige ESRS wat betreft de reikwijdte van de rapportage, maar het is geen vereenvoudigd lokaal rapport.
Wereldwijde rapportagegrens en de optie voor EU-gerelateerde impacts
Standaard omvat een rapport van ESRS-40a dezelfde groep entiteiten als de geconsolideerde financiële staten van de uiteindelijke moedermaatschappij.
Voor niet-klimaatgerelateerde onderwerpen mag de onderneming de rapportage beperken tot EU-gerelateerde impacts die voortvloeien uit haar activiteiten in de EU of uit producten en diensten die op de EU-markt worden verkocht of geleverd, of waarvan redelijkerwijs wordt aangenomen dat ze op de EU-markt worden verkocht of geleverd. Dergelijke impacts kunnen zich buiten de EU voordoen. De optie kan worden toegepast op het niveau van een onderwerp, subonderwerp of groep van impacts wanneer de relevante impacts afzonderlijk kunnen worden geïdentificeerd en getrouw weergegeven.
Materiële klimaatgerelateerde impacts moeten voor de wereldwijde groep worden gerapporteerd. Wanneer de optie voor EU-gerelateerde impacts wordt gebruikt, moet het rapport de methodologie, aannames en inputs toelichten die zijn gebruikt om de rapportagegrens vast te stellen, evenals de nauwkeurigheid van de daaruit resulterende schatting. Als klimaatverandering als niet-materieel wordt beoordeeld en ESRS E1 wordt weggelaten, moet de onderneming die conclusie toelichten.
Overgangsregelingen en assurance
Vergelijkende informatie mag in het eerste verslagjaar worden weggelaten. Alle informatieverschaffingsvereisten onder E4, S2, S3 en S4 mogen gedurende de eerste twee verslagjaren worden weggelaten. Wanneer een van deze onderwerpen materieel is, moet de onderneming nog steeds beknopte informatie verstrekken over haar strategie en bedrijfsmodel, beleid, maatregelen, doelstellingen en relevante maatstaven.
Kwantitatieve informatie over zorgwekkende stoffen mag gedurende drie jaar worden weggelaten. Voor gespecificeerde S1-informatieverschaffingen geldt een overgangsperiode van één jaar, evenals voor informatie over zeer zorgwekkende stoffen wanneer de onderneming voorwerpen gebruikt die deze stoffen bevatten. Gedurende de eerste drie jaar moet bij ontbrekende informatie over de waardeketen uitleg worden gegeven over de geleverde inspanningen, de redenen voor het ontbreken van de informatie en de plannen om dit aan te pakken.
Het verslag moet vergezeld gaan van een assurance-oordeel. De EU-dochteronderneming of het EU-bijkantoor moet de benodigde informatie opvragen bij de uiteindelijke moederonderneming. Als de moederonderneming niet alle informatie verstrekt, moet de dochteronderneming of het bijkantoor de beschikbare informatie publiceren en aangeven welke informatie ontbreekt. Ook het ontbreken van het assurance-oordeel moet worden vermeld, zonder dat de assuranceverplichting vervalt.
ESRS-40a beperkt de rapportagefocus tot impacts, maar vereist nog steeds een verdedigbare rapportagegrens voor een wereldwijde groep en haar waardeketen.